Geschiedenis

Berbice is altijd particulier bewoond geweest. De meeste bewoners waren hun tijd ver vooruit. Uniek is dat de buitenplaats nog zijn oorspronkelijkheid heeft. De Oud-Hollandse cultuur is op Berbice voelbaar aanwezig. Het is een plek waar geschiedenis bewaard is gebleven. Doordat alle bewoners in de voorbije eeuwen iets hebben aangepast en hebben toegevoegd, is Berbice een staalkaart van de voorbije tijden: van de 17de tot en met de 20ste eeuw. Dit geeft een wonderlijk en waarachtig beeld van de wooncultuur op deze buitenplaats door de tijden heen. De naam Berbice is pas later door een bewoner aan de buitenplaats gegeven, het begon allemaal met een woning op steenworpafstand van het huidige hoofdhuis.

De naam Allemansgeest (Almansgeest), de oude naam van Berbice, is mogelijk afgeleid van een meent of mient, een stuk land (weide of geestgrond) dat in gemeenschappelijk bezit werd gehouden. In 1470 en 1582 komt de naam Allemansgeest in archieven voor in relatie met een meent in de buurt van de nog bestaande Hofweg en Heerweg (nu de Leidseweg). Er was toen een boerderij, die nu Corneliahoeve heet. Deze werd tijdens het beleg van Leiden (1574), door brand grotendeels werd verwoest en in 1582 herbouwd.

Via de invloedrijke Amsterdamse families de Graeff en Bicker kwam de boerderij met bijbehorende weilanden via vererving in handen van raadspensionaris Johan de Witt. Hij verkocht de boerderij in 1662 aan Allard Poelaert, een vermogend lakenkoopman uit Leiden. Allard Poelaert ging zeer voortvarend te werk. Hij breidde zijn grondgebied verder uit en maakte een begin met de aanleg van een infrastructuur voor zijn toekomstige buitenplaats (1662-1665). Zo liet hij een vaarsloot aanleggen, met eigen brug over de Heerweg, die in directe verbinding stond met de Vliet. Ook bouwde hij een huis op de plek waar nu het hoofdhuis staat.

Een volgende invloedrijke eigenaar van de buitenplaats was Pieter de la Court van der Voort. Hij bouwde tussen 1688 en 1716 onder andere de oranjerie en de tuinmuren.

In 1803 werd de tuin in opdracht van de toenmalige eigenaar Johannes P. Pompe van Meerdervoort en onder leiding van bekende tuinarchitect J.D. Zocher sr., aangepast tot een landschapstuin met zwierige, gebogen, glooiende vlakken en lijnen. Dit vertaalde hij onder andere in slingerende paden, een „eindeloze beek” (met brug) waarbij bepaalde oude elementen van de formele tuin, zoals de zichtas, fraai in het nieuwe plan zijn ingepast. Het ontwerp geldt als een van de vroege ontwerpen van J.D. Zocher sr.

Er kwamen grote veranderingen in het aanzicht van Berbice toen in 1856 F.H. van Iterson, die toen eigenaar was van Beresteyn, de buitenplaats kocht, de bouwhuizen liet afbreken en een nieuw koetshuis liet bouwen. In het daarop volgende jaar kocht Johannes Mattheus van Kempen de buitenplaats Berbice en liet met grote voortvarendheid op de aangekochte gronden een zilverfabriek bouwen. Hij ging zelf op de buitenplaats wonen. Het zilver van Van Kempen en Begeer won internationale faam, en Berbice werd bezocht door een keur aan buitenlandse gasten en het Nederlands koninklijk huis.

Nadat het hoofdhuis van 1926-1936 dienst had gedaan als showroom voor de naastgelegen zilverfabriek de N.V. Koninklijke Edelmetaalbedrijven Van Kempen, Begeer en Vos, kwam de buitenplaats in 1936 in het bezit van een van de directeuren, Carel J.A. Begeer (1883-1956). Zijn dochter mejuffrouw R.J.M. Begeer was de laatste bewoonster van de buitenplaats. Zij heeft de buitenplaats nagelaten aan de stichting.